woensdag 30 april 2014

Malus sylvestris – Wilde Appel

Malus sylvestris – Wilde Appel

Tijdens een rondje Robbenoordbos zag ik een wit bloeiende boom, namelijk de Wilde Appel. Ik heb hem nog niet heel veel gezien in de Nederlandse bossen. Hier in Nederland kennen wij vele appelrassen, deze zijn van het soort Malus domestica. De Malus sylvestris werd veel gebruikt als onderstam voor de rassen van de Malus domestica. Meestal wordt er geënt op traag groeiende onderstammen. Dit zorgt ervoor dat de boom niet te groot wordt en makkelijker geteeld kan worden, of toepasbaar is in een middelgrote siertuin. Een aantal bekende appelrassen stammen af van kruisingen tussen de Malus domestica en de Malus sylvestris. Malus komt uit het Latijn en betekent daadwerkelijk appel/ vrucht. De soortnaam sylvestris betekent bosbewonend. De wilde Appel is over het algemeen inheems te vinden in Europa. Hij behoort tot de Rosaceae, oftewel de Rozenfamilie.
 
De Malus sylvestris wordt gemiddeld zo’n tien meter hoog, op solitaire plekken iets hoger. Hij heeft een grijsachtige bast en de jonge twijgen zijn soms gedoornd. Vroeger werd het hout gebruikt voor siersnijwerken. Het blad is ellipsvormig, gekarteld en staat op een lange bladsteel. De onderkant van het blad is licht wit behaard of viltig. Hij bloeit in het vroege voorjaar in bloembundels van twee tot tien bloemen. De bloem is tweeslachtig en bestaat uit vijf witte kroonblaadjes met soms een roze zweem. Ze bevatten veel gele meeldraden en één stamper die aan de onderzijde vergroeid is tot vijf vruchtbeginsels. Een snelle uitleg, denk hierbij maar aan een klokhuis en zijn pitten. De bloemen geven een zoete geur af, ze worden bestoven door insecten en met zijn witte kleur ook door nachtvlinders.
De appeltjes zijn groenig, ongeveer drie centimeter in doorsnee. Hoewel de appeltjes zuur zijn, wordt er vaak jam van gemaakt. Door het hoge pectine gehalte, een kleverige substantie die de celwanden aan elkaar verbindt, wordt het maken van jam vergemakkelijkt, omdat gelatine blaadjes niet meer nodig zijn.

woensdag 23 april 2014

Fremontodendron californicum – Flanelstruik

Fremontodendron californicum – Flanelstruik

Een kuipplant die ik jaren geleden ben tegen gekomen in de Botanische Tuin TU Delft is de Flanelstruik. Hij viel mij op vanwege zijn bloemen die van geel naar oranje verkleurden. De Fremontodendron heeft zijn naam te danken aan de Amerikaanse legerofficier/ plantenverzamelaar Charles Fremont, vrij vertaald Fremontboom.
De boom is afkomstig uit Mexico en Californië wat zijn soortnaam al aangeeft.
Hij groeit daar op droge voedselarme gronden. Voorheen behoorde hij tot de Sterculiaceae (Stinkboomfamilie), waaronder ook de Cacaoboom valt. Nu behoort hij tot de Malvaceae (Kaasjeskruidfamilie), een bekende uit deze familie is bijvoorbeeld de Lavatera. Er bestaan zo’n drie soorten van het geslacht Fremontodendron, daarnaast nog een tiental cultivars. Dit zijn de soorten Fremontodendron californicum, Fremontodendron mexicanum en de kruipende soort, Fremontodendron decumbens.


De Fremontodendron californicum wordt zo’n zes tot tien meter hoog, hier in Nederland als kuipplant niet hoger dan drie meter. De twijgen en de onderkant van de bladeren zijn behaard, beter gezegd flanelachtig. Deze haartjes kunnen bij aanraking een kleverige substantie uitscheiden en hebben een irriterende werking. Hij bloeit in de warme zomermaanden, een echte doorbloeier. Zijn bloemen bestaan uit vijf kelkbladeren, vijf tot zeven meeldraden en in het midden een dikke stamper. Gedurende de bloei verkleurt de bloem naar oranje en hij wordt over het algemeen bestoven door bijen. Na de bevruchting vormt zicht een behaarde groene ellipsvormige vrucht. Kuipplanten zijn de laatste jaren erg populair geworden.
De Fremontodendron kan in de volle grond geplant worden, maar hij is matig winterhard. De cultivar die in Nederland verkrijgbaar is, is een kruising tussen de Fremontodendron californicum en de –mexicanum, deze is iets meer winterhard.
Als u de plant aanschaft kunt u hem het beste als kuipplant op een zonnige plek zetten. Wanneer u hem matig water en mest geeft, heeft u er de hele zomer plezier van.

woensdag 16 april 2014

Musella lasiocarpa – Chinese Dwergbanaan

Musella lasiocarpa – Chinese Dwergbanaan

Dit bananengeslacht heb ik jongsleden gekocht en geplant als kuipplant. Twee jaar geleden heb ik hem in de volle grond geplant, hoewel ze zeggen dat hij winterhard is, heeft hij het niet overleefd. De Musella lasiocarpa is één van de kleinste bananengeslachten, vandaar de naam Dwergbanaan. Soms wordt hij ook wel Gouden Lotusbanaan genoemd, vanwege zijn goudkleurige bloemknop.
Hij komt oorspronkelijk uit China in het Yunnan gebergte, waar hij tot op een hoogte van vijfentwintig honderd meter voorkomt. De geslachtsnaam Musella betekent kleine Banaan en zijn soortnaam betekent met harige vruchten.
Hij behoort tot de Bananenfamilie (Musaceae) en heeft meer gelijkenissen met de Ensete (Abessijnse Banaan) dan met de Musa (Banaan).
De Musella heeft een wortelknol waar meestal één plant uit groeit. Het eerste jaar wordt de uitloper al groter, vooral de bladeren die een grijze gloed over zich heen hebben. Hij wordt ongeveer twee meter hoog, hier in Nederland niet hoger dan anderhalve meter. Na drie tot vijf jaar vormt zich een dikke bloemstengel, mits de moederplant het overleeft. De bloemknop bestaat uit goudgele schutbladeren. Wanneer deze schutbladeren open gaan, zijn de kleine bloemetjes zichtbaar die in een krans om de bloemknop staan. De Bloemen geven een zoete geur af, waarop veel vlinders en insecten af komen. Na de bevruchting van de bloem vormen zich kleine banaantjes die overigens niet eetbaar zijn. De bloeiduur is meestal zo’n vijf maanden, maar het kan zelfs een jaar zijn. Na de bloei sterft de hoofd- of moederplant af en neemt een nieuwe scheut het hele ritueel weer over. Eigenlijk net als een Bromelia, behalve dat de knol van de Musella het gewoon overleeft.
Op een beschutte plek kan men hem in de volle grond zetten, hij kan wel enige vorst verdragen, maar moet wel heel goed afgedekt worden. Het is beter om hem als kuipplant te houden, ook omdat de hoofdscheut het dan overleeft en de kans na een paar jaar op bloeien groter is. Net als alle bananengeslachten houden ze van veel water en vooral ook mest.

woensdag 9 april 2014

Curcuma sp. – Siamese Tulp

Curcuma sp. – Siamese Tulp

Ik heb al veel gembersoorten beschreven, de Curcuma die nu veel in bloemenwinkels en tuincentra verkocht wordt ontbreekt nog. De Curcuma alismatifolia is wel de bekendste Siergember die hier verkrijgbaar is. Zijn soortnaam betekent bladeren gelijkend op de Alisma, voor ons een bekende oeverplant met de naam Waterweegbree. Curcuma is de Indische/ Arabische naam voor saffraan.
Op de foto’s is de Curcuma sp. te zien, sp. is een aanduiding voor een soort die nog niet beschreven is, of gelijkenissen vertoont met andere soorten. Er bestaan veel vertalingen voor het geslacht Curcuma, een naam die men veel tegenkomt is Turmeric.

Het bestandsdeel van de Curcuma dat veel gebruikt wordt in de medische wereld heet curcumine. Deze stof wordt veel gebruikt tegen maag- en darmklachten, hersenaandoeningen en kanker. In Thailand noemen ze de vermalen wortelstokken, het gele poeder, ook wel magische poeder. Dit poeder wordt daar veel gebruikt als keukenkruid en als kleurpigment. De Curcuma/ koenjit die wij in de keuken gebruiken is afkomstig van het soort Curcuma longo, een hoger soort met witte bloemen. Het hoofdbestandsdeel in kerriepoeder komt uit het soort Curcuma domestica. In de VOC –periode hebben Nederlanders het soort Curcuma xanthorrhiza geïntroduceerd, de Geelwortel wat dan ook de letterlijke vertaling van zijn soortnaam is. Zij gaven deze plant de naam Temoe Lawak en is nu een zeer bekende naam in heel de wereld.

Er bestaan ongeveer tachtig soorten van het geslacht Curcuma. Hij is afkomstig uit de Gemberfamilie (Zingiberaceae) en vindt zijn oorsprong in de Aziatische landen.
De meeste soorten worden zo’n tachtig a één meter hoog. Net als alle andere gembersoorten heeft hij wortelstokken, deze kunnen na een aantal jaar een enorme omvang krijgen. Uit deze wortelstokken groeien langwerpige bladeren en een lange bloeisteel. Aan het einde van de bloeisteel zitten kleurrijke schutbladeren met daaronder het hermafrodiete bloemetje. De bloem bestaat uit een paarse onderlip met daarboven meestal drie witte bloemblaadjes. De Curcuma is gemakkelijk te houden als kamer- en kuipplant. Geef hem wel voldoende water en overwinter hem op een koele plek, zodat hij het jaar daarop weer prachtig gaat bloeien.

woensdag 2 april 2014

Thunbergia grandiflora – Bengaalse Trompetbloeier

Thunbergia grandiflora – Bengaalse Trompetbloeier

Misschien heeft u wel eens gehoord van de kuipplant Suzanne Met De Mooie Ogen, de Thunbergia alata. Zijn grootbloemige broer is minder bekend, maar zeker net zo mooi en geschikt als kuipplant. De Thunbergia grandiflora heeft grote lilakleurige trompetachtige bloemen met een geel hartje. Hij is afkomstig uit India en omstreken, maar men komt hem nu bijna in alle tropische gebieden tegen, in Afrika is het een veel geziene plant. Hij is vernoemd naar een Zweedse plantenverzamelaar, de Heer Thunberg. Zijn soortnaam betekent letterlijk grootbloemig. Het geslacht Thunbergia behoort tot de Acanthaceae, een grote familie met voor ons veel uitheemse bevattende planten.
De Thunbergia grandiflora is een klimmer die zich op een windende manier vastgrijpt. Zijn ranken kunnen wel meer dan vijfentwintig meter lang worden.
Hij heeft een knolachtig wortelsysteem die zich verankert met een lange penwortel. Na een aantal jaar verhouten de oudere stengels en vormt zo een gestel. Zijn blad heeft verschillende groottes en zijn hartvormig. De onderste bladeren van de rank zijn meestal groter en zijn licht gezaagd of getand. Hij bloeit de hele zomer lang, zijn bloemen staan in clusters langs de ranken. De bloem bestaat uit een grote onderlip met daar omheen vier kelkbladeren en heeft vier meeldraden. De onderlip dient als landingsplaats voor insecten die de bloem bestuiven. Deze insecten worden gelokt door de geurende nectar en het gele honingmerk rondom het vruchtbeginsel. Na de bevruchting vormt hij een doosvrucht met een lang puntig uitsteeksel. Als de zaden rijp zijn barst de vrucht open en schiet hij op deze manier zijn zaden weg. Indien u hem als kuipplant wilt houden, beneden de twaalf graden moet hij echt naar binnen.